Deel IV: Baskenland, Pays Basque wordt País Vasco (ES)

Tot Saint Jean de Luz heb ik 1,800km gefietst. Ik ga de grens over van Hendaye naar Pamplona.

Dan regent het zo hard dat de wegen rivieren worden en mijn voeten door het water waden terwijl ik trap. In Saint Jean de Luz word de regen zo hevig, zo dik dat het bijna sneeuwt. De wind zorgt dat de regen niet verticaal valt maar van alle kanten komt. Ik moet stoppen. Ik sprint naar een afdakje voor een appartementencomplex en kijk toe terwijl de hemel boos met bliksem naar ons gooit. Zelfs de auto’s begeven het en surfers rennen naar hun appartementen. Het is een chaos van droogte zoekers terwijl de hemel en de aarde je aanvallen met water.

Ik ontmoet een man uit Baskenland die Ignaki heet. Hij heeft een zwarte oorbel en een ruige glimlach. Hij is mijn poort naar Spanje, ieder jaar komt hij naar Saint Jean de Luz om te surfen. In Spanje zijn de stranden te vies zegt hij. We drinken rode wijn en proberen te communiceren door tekeningen want we spreken geen gedeelde taal. Hij leert me Bask, kaixo voor hallo, ura voor water, en kampainako denda voor tent. Zijn ogen worden wijd als ik hem zeg dat ik het liefst bij mensen in de tuin slaap, dat kan in Spanje echt niet.

Hij waarschuwt me voor het gevaar zonder de woorden te noemen.

Op weg naar Pamplona heb ik heimwee naar Frankrijk. In Hendaye ben ik nog in Frankrijk, maar zo voelt dat al lang niet meer. Baskenland is een transitie plek, dat niet bij Frankrijk of Spanje hoort maar toch deze twee landen overbrugt.

De Pyreneeën zijn bij me, het is geen verte waar ik zal komen maar een heden dat mijn waardigheid test. Het is vaak te stijl om te trappen, want ik heb niet genoeg versnellingen. Dus loop ik en duw mijn fiets de hellingen over. Het is zweten en mijn schouders doen pijn van het duwen, maar de weg is stil en de bomen brengen me koelte. Ik haal water bij een boer die me aanraad dichtbij te kamperen, boven op de berg is het ’s nachts heel koud. Ik stop bij een herberg met een openbare parkeerplek dat uitkijkt over de vallei en de snelweg ver onder ons.

Ik deel de parkeerplek met twee Spaanse families, een van de meisjes brengt me een fles bier. Dan vraagt ze me of ik sola ben, helemaal alleen. Ze nodigen me uit om te eten, ze bakken vega burgers en eten soya toetjes en leren me dat je moeder een hoer noemen iets goeds is. Ze spreken weinig Engels en mijn Spaans komt langzaam op gang, het is een mooi welkom na het afscheid van Frankrijk.

DSC_0358
Col de Belate

De top van Belate is weilanden en een paar koeien. Een man loopt me tegemoet en vraagt me wat ik hier doe. Ik zeg dat ik naar Pamplona ga en hij fronst zijn wenkbrauwen, dat is nog erg ver weg. Twee uur later fiets ik de stad binnen, ze verwelkomt me met industrie, vrachtwagens, rotondes en nieuwbouw appartementen. Het is zo lelijk en maakt me ongemakkelijk. Een stad inrijden geeft me altijd het gevoel dat ik haar niet uit zal komen.

Pamplona

Het centrum is mooier, kleine kronkelweggetjes met rijen huizen in verschillende kleuren met houten luiken, paars en rood en oranje. Winkels hebben Ernest Hemingway in de etalage en mensen zijn aardig. In café Iruña bracht hij vele dagen door met rode wijn, ik zoek het café niet op omdat ik het beeld uit The Sun Also Rises niet te min wil doen, ik eet in een taverne en stel me voor hoe mijn favoriete schrijver hier zijn middagen vertoefde, terwijl er buiten een lawine van mensen en chaos gaande was. Nu zijn de straten leeg, niemand durft elkaar te spreken.

De lucht is onverdraagbaar warm. Mijn huid plakt en de vliegen vallen me aan. De beten van de nacht jeuken en zijn rood uitgeslagen, het zout bijt en het landschap om me heen is droog.

Toch hangt er een belofte van leven; mensen rijden voorbij en lachen naar me, sommigen toeteren en klappen. Er zijn veel fietsers onderweg, ze wensen me een buen camino – een wens die ik nog vaak tegen zal komen.

Er loopt een eenzame hond over straat, verder is er niemand. Bij de fontein was ik mijn gezicht en mijn lichaam met het ijswater uit de berg. Lapoblacion licht boven op de berg, vanaf hier is het dalen en zal ik het landschap worden, nu kan ik haar observeren.

Een man met een vies blauw t-shirt en een hond met stippen tuurt naar het dal. Hij heeft vet haar en een verrimpeld gezicht, hij heeft veel gezien.

“Kijk zijn trekker is kapot!” Hij wijst naar een stip in het boerenlandschap onder ons.

“Tja.”

Hij ruikt naar zure wijn en mist een paar tanden als hij naar me lacht. Hij praat maar ik versta het niet. Hij is dronken, blij om zijn zielstoestand met iemand te delen. Ik vertel hem dat ik boven het dorp kampeer, ik leg niet goed uit dat ik al een plek heb gevonden en hij neemt de missie op zich. Ik laat hem de held spelen en samen tillen we mijn fiets op en brengen het hoog de berg in. De fiets is enorm zwaar en overal groeien distels dus struikelen we en voel ik de snijwonden in mijn scheen. Ik vind de missie niet meer zo leuk maar de man komt tot leven dus laat ik het. “Mira, Kijk hier!” “Of hier!” “Of hier!!” “Mira, mira

Even later sta ik in een veld vol distels en wilde bramenstruiken. Het is geen goede plek om te kamperen maar alleen krijg ik mijn fiets het veld niet uit. Ik haal de man weer op en samen tillen we mijn fiets weer naar beneden.

De avond valt over de valei
Ontbijt in de tent, buiten stormt het
De storm golft de vallei in, ga lekker fietsen!

Het stormt, de wind van voren maakt het fietsen moeilijk. Ik stop vaak , het landschap is nog nooit zo mooi geweest. Het is koud en ieder lief dorpje dat ik ontmoet probeert me te verleiden om te blijven. “Morgen wordt het erger,” zegt een man die Fernando heet. Hij woont in Baños de Ebro met zijn vrouw. Ze geven me eten en praten veel, ik zeg si en het gesprek vordert zonder dat ik er veel van begrijp.

“In Rioja is de wijn niet zo lekker als hier in Baskenland,” zegt Fernando.

Hij haalt een fles uit de garage, “niet te veel drinken als je op de fiets zit,” lacht hij.

Na het dorp van Vicente rijd ik onder de snelweg door, als ik mijn ogen een keer knipper is het landschap opeens van haar diversiteit beroofd en wordt het een monotoon betoog aan de industriële landbouw. De druiven struiken staan er miserabel bij. Ze krijgen geen liefde, en dus leven ze niet. Ik rijd langs een structuur van bakstenen, nooit afgemaakt. De geur van kadavers overvalt me en ik voel me terug in Noord Frankrijk, al was dat een meer georganiseerde dood dan deze. Tussen het puin staan een tiental schapen, onder en door elkaar en onder en door de stront. Twee mannen staan te praten, boos op het leven en alles dat nog een poging doet tot leven.

Een paar verspreidde huizen vormen een dorp en ik vraag naar een slaapplek. De blik van de man draagt iets van verwijt, in Santo Domingo is er plek voor pellegrina’s als jij zegt hij. Ik neem het als een teken dat ik toch maar het Camino pad moet volgen. Ik fiets naar Santo Domingo, het regent en mensen haasten door de straten.

Twee chagrijnige gezichten wachten me op in de albergue. Ze zijn niet blij me te zien. Ik moet veel betalen en om 8 uur ’s ochtends weg zijn. Ook gaat om tien uur de deur dicht, het is nu negen. Mijn fietstas is kapot en ik ben kapot, ik kan niet meer verder dus douw ik mijn spullen in de vuilniszakken die de chagrijnige gezichten me toereiken. Ze sprayen mijn schoenen met een chemisch middel tegen Corona. Ik zoek mijn pyjama terwijl ze luidruchtig stil onder gefronste wenkbrauwen toekijken.

In de badkamer ontmoet ik een andere fietser met kapotte fietstassen. Hij is nog jong en komt uit Zwitzerland. Hij spreekt zijn eenzaamheid uit, hij mist mensen waar hij mee kan praten. Hij wil niet meer fietsen.

De kippen van de albergue stinken. Ze zitten in een kleine kooi en krijsen. Ook zij willen hier niet zijn. Ik knoop mijn kapotte fietstassen vast met stro touwtjes die ik uit Nederland mee heb. Ik zeg de Zwitzerse jongen vaarwel, hij naar bekenden ik naar het onbekende. Het klinkt romantisch maar dat is het niet. Het is natte kleren, een natte tent, kapotte fietstassen, een brak lichaam dat geen slaap kreeg op de stapelbedden van de albergue, en een bittere smaak dat alleen de stad kan geven. Toch wil ik niets anders dan dit.