Deel II: Champagne naar Dordogne (FR)

Na vijf dagen ben ik in Frankrijk, vanaf Den Haag heb ik nu 330 kilometer gefietst.

DSC_1119
Frankrijk verwelkomd me met Champagne

Het makkelijke fietsen door tarwevelden ruil ik in Frankrijk in voor groene heuvels en druiven. Ik ben in Champagne en het landschap is beroofd van haar puurheid om weg te maken voor druivengewassen van homogene puurheid. Alles hetzelfde om verkocht te worden onder een gedeelde naam, champagne.

Mensen rijden snel en kijken me verward aan, ‘wat doe je hier?’.

Ik leef in de tekst van The Doors:

‘People are strange when you’re a stranger

Faces look ugly when you’re alone

Women seem wicked when you’re unwanted

Streets are uneven when you’re down

When you’re strange’

Het fietsen gaat moeilijk maar ik voel me goed. Mijn emoties stijgen en dalen als de heuvels van Champagne. De dorpjes liggen er verlaten bij, mensen zitten achter rolluiken of zijn op vakantie. Geverfde letters boven deuren en ramen duiden op vroeger, toen was er hier een epicerie, een pharmacie, een café, een boulangerie. Nu zijn de bakkerijen dicht en de cafés bestaan al lang niet meer. Het leven is elders en op de fiets vind je alleen de sporen die ze achter heeft gelaten.

Ik stop bij een mooie oprit om water te halen. Tegenover het huis liggen blote tarwevelden maar de tuin van deze mensen heeft bloemen en er scharellen kippen tussen de bomen. Een jongen van vijf speelt in de tuin en ik vraag hem of zijn ouders thuis zijn. Een bezorgde vrouw komt snel naar buiten, een handdoek gewikkeld om haar jonge lichaam. “Ga maar gauw naar binnen, Jean!”

“Ik wilde wat water vragen,” begin ik, “ik vraag het wel aan de buren, pas de probleme.”

“Nee nee, ik doe het wel,” zegt ze automatisch.

Ze kijkt naar mijn fiets en ademt uit, “ik dacht dat je een kinderkar bij je had, maar het is een fiets!”

“Dat hoor ik wel vaker,” ik vertel haar over mijn reis naar Portugal. Haar gezicht wordt warmer en ze vraagt of ik wil douchen of iets wil koken. Ze verteld dat ik aan de rivier kan kamperen, daar slapen de vissersmannen ook.

Vijftig meter de straat af hoor ik geroep achter me, ik draai me om en zie de zon als gloeiende oranje bal boven het opgestoken haar van de vrouw, “wil je anders in de tuin slapen?”

La Seine

Libellen dansen boven haar water, ze trekken naar elkaar toe en stoten dan weer van elkaar af, als magneten met een zelfde lade. De stroming brengt blaadjes en takken en insecten naar het westen waar de rivier het subject zal worden van veel gedichten. Ze zal daar liefde wekken in harten nu noch koud, ze zal een spel worden voor velen, ze zal dronken levens tot zich nemen, en peuken, alcohol, en kots over zich heen krijgen. Ze zal tegen kades slaan terwijl het geluid van Edit Piaf haar golven evenaart. Ze zal zo veel zijn, nu noch alleen zichzelf. Ik ken deze rivier en alles dat ze zal zijn in de stad Parijs.

Om zes uur sta ik op terwijl het paarse licht over de heuveltoppen kruipt. Ik fiets en langzaam word het land van de verlatenheid het land van de vakantiegangers. Hier komen de Fransen van de nabije steden om in de natuur te zijn, om te spelen en te genieten. In een tabak-winkel koop ik postzegels een spreek een oude man die aan de bar een sigaar rookt.

Ik fiets onder het gekraak van de hoogspanningsmasten. Ze zoomen op het ritme van de hitte dat het asfalt voor me doet golven, kraken als een mug dat je oor in wil kruipen.

Als de hitte te veel wordt, stop ik bij de rivier Loire. Ik was mijn shirt en mijn bezweette lichaam terwijl mensen voorbij pedellen in kano’s. Er staan veel borden die waarschuwen voor de gevaarlijke stroming, je mag hier niet zwemmen. De huizen schijnen in kleur, sommige luiken zijn open en ik voel het contrast met het noorden. Ik ben hier tussen de mensen, en ze leven. Al is het maar voor vakantie.

Ik klim de berg tegenover Sancerre en moet voor het eerst mijn fiets duwen omdat het te steil is om te fietsen. Boven aangekomen zie ik de zachte horizon achter me met heuvels gestippeld door hoopjes huizen en vierkante velden met rijen druiven afgewisseld met gele graanvelden.

De lucht betrekt, het evenwicht tussen zon en regen is de afgelopen dagen verstoord en zal vanavond rechtgezet worden. Er komt een storm.

Ik rijd door een dorpje waar veel Nederlandse auto’s staan, de gele kerk is versierd met bloemen en er hangt een schilderij van vlinders. Een vrouw staat in haar aardewerkwinkel, we zwaaien naar elkaar. Ik stop bij een huis waar een man met grijze krullen en een gebogen rug de planten water geeft. Hij lijkt nors zoals Franse mannen dat kunnen lijken, maar wil mijn waterflessen wel vullen.

“Waar slaap je?” vraagt hij terwijl hij me de volle flessen geeft.

“Dat weet ik nog niet, ik ga ergens kamperen.”

“Ik denk dat je wel bij ons in de tuin kan slapen, dat is fijner. Je moet het even aan mijn vriendin vragen, het huis is van haar. Als je iets verder fietst kom je bij een groot gebouw, het buurthuis, daar is een pizza-avond en moet je naar Jacqueline vragen.”

“Oké”

Ik fiets met de weg mee naar boven, het is een paar minuten trappen tot ik een foodtruck zie met een tiental oude mensen er omheen. Iedereen kijkt me aan en lacht verwelkomend. Een vrouw komt naar me toe terwijl ze haar telefoon in haar tas steekt.

“Natuurlijk slaap je bij ons!”

We dronken tot de ochtend, tot we gapend aan tafel zaten maar het moment vast wilden houden. We voelde haar in onze buiken, kloppend door onze bloedvaten, ieder haartje op ons hoofd danste op haar ritme terwijl we allen wisten van haar noodlot. Hoe dit moment zich zou voegen bij al de anderen, naar wie wij melancholisch verlangen terwijl we het heden overleven.

Na twee nachten verlaat ik het huis met zware fietstassen vol groentes en fruit uit de tuin, ook mijn hart is zwaar om een plek te verlaten dat als thuis is gaan voelen.

De volgende nacht slaap ik in een speeltuin.

Ik kijk naar de verlichte sterrenhemel en de bliksem dat in de verte danst. De vlaktes in Frankrijk duiden op een eindeloosheid die Nederland niet kent.

Het landschap wordt minder kaal en ik stop bij een meer in het bos van Chateauroux. Vissen zo groot als konijnen springen uit het water, de kerkbellen luiden en de dag zit zwaar op mijn oogleden. In het bos is het koel en geniet ik van de bomen. Ze hebben iets mysterieus, een geheim van tijden waar ik niets vanaf weet. Ik voel dat er weer een storm zal komen, al is de lucht nu nog verblindend blauw.

Ik fiets nog een stukje door tot ik bij een dorp kom. Het dorp is anders, het mist een bepaalde samenhang. Ik zie een paar mensen in een tuin bier drinken en vraag of ze om water. Ze spreken geen Frans. Het zijn Engelsen. Ze bieden me bier aan en ik ga op een plastic stoel onder de parasol zitten.

Jade en Patrick wonen hier nu een jaar. Ze wilden op het platteland gaan wonen maar in Engeland is het onbetaalbaar. Ze verhuisde naar Frankrijk zonder te weten waar ze precies aan begonnen. Dat een derde van het dorp Brits was wisten ze niet en in plaats van rust kregen ze een veel socialer leven dan in het VK. Het leven in Frankrijk is wonderful. Ze spreken geen woord Frans maar dat hoeft ook niet als je maar goede intenties hebt, zegt Jade.

Na het eten drinken ik en Patrick een fles wijn van de Spar, cab sav noemen ze het. Ze vertellen me over hun bedrijf, handelen in meubels van dode mensen. Patrick is blij om met iemand te drinken en opent nog een fles.

Aan het einde van de avond wankel ik het huis uit. De deur doe ik met moeite open en dan lig ik in een tollende tent.