Deel VII: Porto naar Sagres (PT)

Het is mid-september, ik ben twee weken in Porto. Een vrouw die kleuren verkoopt wordt mijn vriendin, ze verteld me dat ze mondkapjes gaat maken met gaten er in, “ze hebben nooit gezegd wat maskers precies moeten zijn,” lacht ze krachtig. In de bar zit ik onder wit TL-licht terwijl een Braziliaanse telenovela boven de bar speelt. Bruno en Maria zijn gelukkig en lachen constant. Er komen veel Braziliaanse vrouwen de bar binnen, hun mannen werken in Frankrijk. Bruno verteld me over hoe hij in Brazilie als visser werkte en daar Maria kidnapte van de Indianen, hij tilt zijn vrouw op en draait rondjes achter de bar. Ze schenken me steeds meer bier en herhalen de woorden souzinha en Hollandaisa, het is ongelofelijk. Ik zeg Bruno dat ik na een paar weken terug zal zijn, dat ik eerst naar Sagres zal fietsen. Hij belooft een goede fles wijn te bewaren.

Als je er zin in hebt is Porto alles, dan verrast ze je met steeds een nieuwe kleur, dan kijken de mannen naar je en lach je terug. Een verbinding tussen de sterren, de maan, het hele heelal en je neus. De stad applaudiseert je voeten, HET LEVEN IS MOOI, jij bent mooi. De paarse bloemen vloeien als watervallen over de muren en de Douro glinsterd zacht onder de bruggen die haar schoonheid bijna evenaren. Tokkelende gitaren spelen door de straten en mannen wachten op het lot; een vis aan een hengel of een cijfer op een papiertje of nog een cerveja. Een stad zonder haast, misschien de enige van haar soort.

Als je er geen zin in hebt is Porto niets, dan staren de mannen je aan met ogen die je misselijk maken, ze zeggen dingen die je niet verstaat en je voelt dat je ze niet wil verstaan. Rot op schreeuw ja achter je tanden. Het zitten, niets doen, de bedelende massa’s die je portemonnee inkijken, “je hebt daar een euro.” Je wordt moe van het deuntje, steeds die zelfde Amalia, het herkauwen van een ver verleden. Het smaakt bitter. De vuilnisjongen vult plastic zakken met bladeren die de droge aarde beschermde, het glas waarachter de film speelde barst langzaam en zonder spektakel ontwaak je.

Eind september fiets ik verder, eerst noord naar de bergen bij Guimaraes. Ik slaap bij een community in Celerico de Basto. De vallei van vreugde houdt geheimen en geiten. Een groen laken ligt over de heuvels en trouwe rivieren vloeien.

Van Celerico naar Amarante loopt een ecopiste, dat is een fietspad gemaakt zodat iedereen haar kan gebruiken. Vroeger liepen hier treinrails, het is dus vlak en makkelijk. Mensen lopen, joggen, fietsen, kinderen spelen. Na Amarante begint het echte fietsen, zwaarder dan alle vorige bergen.

Ik doe twee uur over 14 kilometer klimmen, het is enorm. Een man stopt zijn auto, hij is professioneel wielrenner. “Hier kan je niet fietsen,” zegt hij tegen me. Ik vraag hem hoe ik anders naar Viseu kom. “Je kunt om de berg, dat is wel 40km extra maar niet zo stijl. Hier zul je 22% moeten steigen, dat lukt niet met die fiets.”

De zon drukt zwaar op mijn hoofd, ik wil niet om een berg. Ik ga door, de wielrenner wenst me succes en zegt dat ik gek ben.

Ik stop bij een bakker dat ik verwacht de laatste te zijn voordat de wildernis begint. Er staan drie mannen buiten, één wil me met de auto naar boven brengen. “Je kunt hier niet fietsen.” De andere schudt zijn hoofd. De derde zegt dat het wel kan, “over zo’n vier kilometer ben je in Felguieras, daar kun je goed kamperen, en naast het voetbal veld zit de bakker – die werkt de hele nacht, ik zal hem zeggen dat je komt.”

Ik loop en duw mijn fiets, het is zo steil dat ik een paar keer bijna achterover val. Ik vraag onderweg aan mensen hoever Felgueiras nog is, iemand zegt vijf kilometer dan zegt iemand later zeven. Het is idioot. Mijn kuiten zijn verkrampt, mijn schouders steken, ik stop vaak en als ik het bordje Felgueiras zie stort ik bijna in elkaar.

Felgueiras is een klein dorp, koeienmest ligt op straat en kippen scharrelen langs de huizen tussen de slapende katten. De weg naar beneden is erg steil, ik zal vandaag hier beneden slapen no matter what. Ik kom bij de bar, er zitten een paar mannen met blauwe overalls, modderige schoenen en bruine gezichten. Ik drink met de mannen bier en overleg waar ik kan slapen, het wordt de tuin van de bar. Na een paar biertjes en verward gelach zet ik mijn tent op. Een jongen komt naar me toe, hij spreekt Engels, of ik met zijn familie wil eten. Wat ik dan wil eten. Na drie keer heen en weer tussen zijn moeder in de keuken en ik bij de bar blijft hij even weg, “you can come now.”

We zitten onder wit licht aan tafel, een telenovela speelt boven mijn hoofd. De moeder van de jongen heeft rijst gemaakt, friet, en een stapel omelleten met kaas en ui en paddestoelen, “for you,” zegt de jongen. Ik wil het met ze delen maar dat willen ze niet, zij eten de worstjes. Na iedere fles bier geeft de vader me een nieuwe, ik zit te vol voor woorden en als ik het allemaal op heb, en nee antwoord op de vraag of ik meer wil lijkt het toch alsof ik ze beledig.

Na het eten zetten ze me in de douche, “je hebt zeker geen kleren mee.” Ik zeg van wel maar krijg toch leggings, een nieuw t-shirt met roze letters, een trui, en een string. De jongen laat me uitgebreid alle zeepjes zien en dan ben ik even alleen. Ik douche en doe de nieuwe kleren aan. Iemand ooit ergens zei dat reizen je volkomen overgeven is aan wat je overkomt.

‘S ochtends drinken de mensen uit het dorp koffie. Iedereen hier werkt hard, de vrouw zorgt voor de bar, werkt in de stad, en verzorgd de mini supermarkt. Haar man werkt als taxi chauffeur en bij de bar. Hun dochter als landbouw adviseur. Ik ontbijt bij de familie, ze geven me brood mee en veel eten en dan gaan ze allemaal naar werk of school. Het dorp een samenkomst van vanzelfsprekende gezelligheid en beweging.

Af en toe zit er een man in een auto langs de weg, of op de reling of op een dak. Altijd dat wachten en dat kijken, een land dat kijkt en wacht. Op wat? De mannen juichen naar me, ze draaien hun handen om elkaar heen om een bewegende fiets te imiteren en klappen dan. Ik stop langs de weg om water te drinken in de schaduw, een paar mannen op motors stoppen bij me. Ze spreken Frans, “ze komen, ze komen!” Ik vraag wie komen. Ze kijken me ongelovig aan, de Volta!! Na een uur wachten komen ze dan ook voorbij; eerst luide politie motoren, camera ploegen, en dan groepen wielrenners. Het is de tour van Portugal, vandaag fietsen ze naar Viseu. Ik fiets achter ze aan, iets langzamer.

In Viseu doen mijn knieën pijn, mijn benen, zelfs mijn ogen. Overal is pijn. Mijn fiets maakt een raar krakend geluid en er is regen op komst. Het is tijd voor rust, ik blijf een week bij een vriendin.

De herfst maakt Viseu een mooie bergstad; oranje bladeren verspreid over de kasseien, tamme kastanjes voor het oprapen en om half acht is het donker. Deze stad heeft de meeste rotondes van Portugal en een oude bevolking, al zie ik veel jongeren, iedereen lijkt verliefd. Er is een theater ’s avonds en brood dat naar cake smaakt.

Café das Beiras wordt mijn thuis. De oude man met vier tanden is deel van me, de grijze tegels onder mijn voeten waren koud marmer maar zijn nu een paleis waarop zachte voeten dansen, de vrouw met een bos stro op haar hoofd is mijn vriendin, ze heet Maria en heeft ook geen haast, de wc die naar chloor ruikt en de loten die verkocht worden, hoop wekken, en deze niet nakomen. Het nieuws speelt op de televisie, de rijen tafels staan precies zodat je de schermen kan zien. De man met één been die in zijn rolstoel buiten zit, dan binnen, en dan weer buiten. Zo zijn de dagen gegaan. Zo zullen de dagen gaan.

De fietsenmaker weet geen raad met mijn fiets, iemand in Lissabon kan er naar kijken.

Weer een afscheid om aan mijn hart te binden. Van Viseu leid een ecopiste naar Santo Comba Dao, het is makkelijk fietsen tussen de rotsen die uitgehold zijn voor de treinrails die hier vroeger lagen. Het heeft iets kunstmatigs waar ik niet van hou, toch is het fijn om vijftig kilometer te fietsen zonder uitlaatgassen. Mijn knie doet pijn.

Ik besluit om naar Coimbra te fietsen, nog 80 kilometer en daar de trein te nemen naar Porto of naar Lissabon.

De dag wordt veel lopen door de pijn. Ik stop in een dorp, bij de bar zitten zes mannen te drinken. Joao rijd met zijn pickup voor me uit, naast de kerk kan ik kamperen zegt hij. Onderweg komen we een oude vrouw tegen, hij wisselt een paar woorden met haar en laat me dan achter. Ik kan bij haar slapen.

Ze is Frans en woont al veertig jaar in het dorp, iets met liefde voor een Portugees. Het was moeilijk om alles in Frankrijk achter te laten, “c’est comme ça,” zegt ze, alsof de woorden een pleister zijn op de wond van melancholie. Ze verteld me over de dorpsactiviteiten die het leven leuk maakte; dorpsfitness, feestjes, activiteiten. Nu ziet niemand elkaar meer door COVID, “c’est comme ça.”

’s ochtends is de lucht een dikke deken van douw, “dat betekend dat het vandaag warm wordt,” zegt de vrouw. We drinken koffie en ze dekt de tafel met brood en kaas en alles dat ik maar zou willen. Als ik wegga lacht ze met warme ogen en in een andere tijd had ik haar een knuffel gegeven.

Langzaam glinsterd de zon door de zachtheid en breekt de dag aan. Het is stil, ik rijd door de prachtige bossen. Takken hangen als slingers, het bos viert ’s ochtends feest zonder dat iemand het weet.

Coimbra

Ik koop een treinkaartje naar Lissabon voor de volgende ochtend, 10 uur. De stad van Fernando Pessoa wil ik zien, zelfs als ik niet verder kan fietsen.

’s Avonds fiets ik door het park en besluit daar te kamperen. Waarom ik het park uiteindelijk uitfiets weet ik niet, maar ik kom bij een paardenstal. Er springen een aantal paarden in de bak, het zijn jonge sportpaarden. Ik loop het terrein op met mijn fiets. Een gesprek half in Portugees en half in verzonnen woorden zorgt ervoor dat de mannen mij aanzien als professionele ruiter uit het Noorden. Voor ik het weet zit ik in een paardrijbroek met laarzen en cap op een bange schimmel. Het paard snapt er niets van, ik nog minder. De mannen staan verzameld tussen de hindernissen, vol anticipatie klaargezet voor de show. “Ik zoek nog een ruiter als jij,” zegt de paardenbaas. Hij laat me zijn veertig paarden zien, het zijn bange beesten wachtend op de verkoop die ze hopelijk een goed leven zal geven.

Die nacht slaap ik in een stal.

Coimbra, haar universiteit een van de oudste van de wereld
Lissabon

Ik fiets langzaam door de straten van Lissabon, eigenlijk is het een lange boulevard. De stad is immens, kleuren en geuren en mensen. Zoals in alle steden word ik anoniem.

Gonçalo maakt mijn fiets. Hij wil geen geld, het enige dat hij vraagt is dat als hij iemand in Nederland nodig zou hebben dat hij dan ook zo geholpen zou worden. Ik hoop het voor hem.

’s Avonds slaap ik bij de vrouw die ik in het Noorden ontmoette, weken geleden. Ze woont in een appartement met haar zonen en honden en katten. Ik geniet van het leven met de familie, ontmoet vrienden, en na een paar dagen voel ik de drang om verder te gaan.

Ik ontmoet iemand die met me mee gaat, ik zeg de eenzaamheid vaarwel en proef dat wat velen mij onderweg hebben aangeraden; samen met iemand reizen.

Alentejo wordt Algarve, de Al’s duiden op een verleden en het heden zet haar voort. Dorpen worden bewoond door Indische mannen, af en toe kinderen. Ze zijn hier om te werken op plantages en boerderijen met koeien.

Het rode zand, de vijgenbomen, olijfbomen en wijngaarden, en de droogte zelfs nu in de herfst. De samenkomst van dit alles met golven en kliffen en blaffende honden en surfers. De Algarve is niet te omvatten. Auto’s verslinden de wegen. Mensen steken vingers op van wat doe je hier. Volkswagen busjes scheuren langs  met peace & love, daar vallen de nationale wegen buiten. Er zijn eco-campings met biologisch voedsel, prijzen als in Nederland, lonen niet. Een Deen verteld dat hij het meerendeel van het jaar hier woont, het voelt meer thuis dan Denemarken zegt hij terwijl hij knäckebröd met kaas eet. In Dordogne (FR) woonde de Britten als kruimels die wijzen op de beweging naar het zuiden, in de Algarve wonen de Britten die de hele bedevaart gered hebben.

Sagres is het einde van mijn reis, een uithoek van Europa.

Ik was niet van plan hier te komen, maar soms gebeuren er dingen die je niet verwacht.